„Nee/ knikte de schoenmaker enplomper: „’t Helpt geen verdomnis. ’t Is monnikewerk. We houen ’t de heele nacht, de heele nacht. En morrege zakt ’t van zellef...*
Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuif-lend liep-ie de plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de groentenjood vroeg:
3, ... Eli — bin jij ’t?*
„Ja," schrikte hij.
„Kom-ie nie boven ? .. . Reggie is hiér... Mod-je geen kommetje ? *
De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, gryze treden, de muren van zwart cement.
„Is dat uitblijve!* —, klaagde tante Reggie.
Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde haast over ’n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij de tafel zaten Suikerpeer, Essie z’n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje, de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, ’n magere man met ’n langen baard en ’n jong meisje met los-krullig zwart haar. In de bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank van den emmer in ’t hokje. Het raam stond open. De lampen in den ijzeren hanger brandden laag met splitsing van zuigende vlammen.
„Og!* —, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: „nog, dalles-man blieft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!”...
„Werk?* —, vroeg Eleazar verwonderd.
„Is dat uitblijve! * klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn van z’n stem: „waarom bin-je nie kome
85