Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze ’t vuil van 9t gezicht.
Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mocht, hield ’t zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong, optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak ’n woord — de mannen wrokten — de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij ’t oor hield en ’t pijnlijk-drukkend meissie bij ’r buikje steunde, praatte ’t eerst. De spichtige billetjes had-ie met ’n tip van de nachtpon geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:
„Moeder!... Moeder ze heit weer blóéd gekakt!*
De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door ’t water, droogde de handen lomp-weg an ’r broek, nam ’t kind van het dek, lei ’t met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der pot-ronding, 'n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van een bloedtraan. De vrouw, schuddend ’r hoofd, met jammertrek van wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere rood dat takjes en aartjes had in ’t waterig bruin. Dan zonder gespreek, diksnot-trend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water, niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong 'm met knarsig gewring, snikte dof-ingehouden, harder van neus-haal als het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door ’t veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors, lepelde het water in den schuinge-houden pot. Z’n horrelvoet stond als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.
„Kan ’k je helpen? Wil ik ’n emmer halen?* —, vroeg Eleazar.
84