afgeleerd aan jou te denken — in de bezigheden van eiken dag hier....
Dolf. .. Dus...
Hope. .. Stil!... 't Lijkt me ... (gejoel en geroep buiten) Daar is iets.... (gaat snel op het erkerven-
ster toe).... Allemachtigste God!
Dolf. (naast haar)... Is ’r ’n ongeluk gebeurd?
Hope. (tot ’n man buiten)... Is een van de kinderen? Hoor je niet!.... Is een van de kinderen?... (Stem buiten: „Een van de jongens, zuster !”)
Hope. Groote God — een van de kinderen in de sluis terwijl ’k ze zoo gewaarschuwd heb!... Groote God — met de sluisdeuren open, als toen, als toen.... (wijkt angstig van het raam).
Dolf... Steekt dan niemand van die lummels ’n poot uit!....
Hope. (als in versteening)... Is niet te redden — is niet te redden — met die strooming naar zee...
Dolf. (driftig en glimlachend)... Dat zullen we zien!
Hope. (wakkerschrikkend)... Blijf hier! Blijf hier! Is één leven niet genoeg!
Dolf. (met star-lichtende oogen)... Als ’k jou dat kind in je armen terugbreng — overleg jij dan nog?
Hope. (heftig) Dolf, Dolf — bega geen krankzinnigheid !... Als, als ’t te redden was, zouen die daar, de visschers en schippers...
243