We zitten, door ’n wonder, door ’n wonder, beter, oprechter tegenover elkander, als we ’t ooit, ooit.... Nee doe nu niet brusk, niet meer zoo hartstochtelijk als vroeger... Van af de jaren dat ik als kind, zonder ouders — gedacht, maar vooral gewrokt en gehaat heb — heb ’k verlangd, niet te zeggen hoe innig verlangd... ’n eigen kind in achting voor mezelf — en m’n man groot te brengen... Dwing me op ’t oogenblik niets met je oogen af — ik zeg niet nee — niet ja — ik vraag uitstel....
Dolf. (geprikkeld)... Uitstel?... Nog eens uitstel...
Hope. .. Ik ben bang dat wij — u en ik —(haastig) jij en ik____
Dolf Dat wij wat?...
Hope. (moeilijk)..Dat we bij mekaar niet meer dat — dat geluk zullen vinden.
Dolf. (hartstochtelijk) ... Onwaar!... Onwaar!... Jij voelt dat zelf anders...
Hope. .. Misschien, misschien hèb je gelijk — laat me overleggen! — We hebben mekaar in zoo’n tijd niet gezien — in geen maanden en maanden — Als jij veranderd ben, ben ik ’t mogelijk ook....
Dolf. .. Met andere woorden: voor de derde maal de bons?... Verlang je nog meer, nóg meer van me!
Hope. .. Nee... Maar je moet ’t me met mezelf laten uitvechten .... We zijn allebei ’n dagje ouder geworden (met moeite) En ’k had ’t me al zoo
242