Hope. Nü niet... Je heb me verbazend... verrast — ik dacht niet aan de mógelijkheid — dat jij — dat ü..
Dolf... Toe hou je an dat jij... Na de wandeling met de boschviooltjes, die je droogde — nee, niét droogde! — heb je nog maar één keer je u’s vergeten — dien middag bij mij thuis... (haarz’n hand toestekend)... Weiger je nóg, Hope?
Hope... Geef me den tijd, om — om te overleggen — je heb me zoo overrompeld...
Dolf... Om te overleggen... Moet je bij dat overleggen... je verstand „raadplegen”?____
Hope. .. Je heb beloofd niet meer op te vliegen — Dolf! (legt haar hand over tafel op de zijne)... Eens — laat me dat zeggen, zonder de intentie bijna vergeten dingen levend te maken — eens trapte je m’n groote, vreeselijk-groote genegenheid — door je ruwe overval in m’n slaapkamer — dood — toen, in den nacht dat we samen bij ’t sterfbed van je mama, in die hotelkamer waakten, had ’k ’n niéuwe vurige hoop — en we gingen voor de tweede maal van mekaar. Hij houdt z’n belofte aan mevrouw niet, dacht ’k — hij bréékt ’r niet: hij spot over alles heen — ’t wordt geen daad — geen daad... — toen heb ik me iets heiligs, plechtigs voorgenomen: jou onder géén, géén omstandigheden te trouwen — mezelf aan de kinderen hier te geven... Stuif niet op Dolf... Ineens die belofte vergeten, zónder over-gang voor de dèrde maal ’n heerlijk vertrouwen in — in jóü vastgrijpen — dat durf ’k nog niet aan.
241 i6