18
Daar mot ’k met den minister over praten! Wie is minister? Zijn we liberaal of clericaal? ’tls ztiür dat je in ’t logies buiten de politiek raakt! (Dampt met smakken). Laat je kop niet hangen! Wees wijzer! Doe as ik! Nou, ajuus — kijk zoo’n rekruut staan blauwbekken! Wèl bedankt kameraad. As jij ’r niet was geweest, hadden ze bij me ingebroken. (Zoekt in z'n vestzak na&r ’n fooi.) Da’s voor jou. (De soldaat blijft norsch staan). Mag-ie niet ? Hindert niks. ’k Zal ’r een op je gezondheid consumeeren. Ajuus. Tot Zaterdagnacht, kameraad. (Af.)
DERDE TOONEEL.
De grijsaard. Het kind. De soldaat.
Het kind.
Grootvader J a.
De grijsaard.
Het kind. (Geheimzinnig,)
Was dat... was dat ’n dief?
De grijsaard.
Nee, m’n jongen.
Het kind.
En — hij heeft appelen gestolen...
De grijsaard.
Stélen, stélen, héüsch stelen is anders.
Het kind.
Wkt is stelen, grootvader?
De grijsaard.
Stelen is.. . (Gaat in verteltrant over). Zie je de boomen daar? — Hoe heeten ze?