93
mannen èn kinderen, enkel lijken — had ’k als jóng patholoog-anatoom ’n niet uit te spreken behoefte — lach maar! — aan ’n intérieur, ’n toegenegen samenspraak, ’n kleinen huiselijken horizon, ’n Hoofd vol gedachten over ’n wetenschappelijk slagers-métier, over de worsteling van duizenden, duizenden, die vechten en ploeteren, om in ziekenhuizen uit te stappen, als onderzoek-materiaal te dienen, chair pour la Science! — ’n hoofd vol twijfel, barstend van vraag, wil als grappige tegenstelling ’n lief, mee-voelend, mee-begrij-pend gezicht. Snap je dat? Of druk ’k me te kort-en-bondig uit? Vandaag ben ’k aan m’n kadavers rijkelijk gewend — vandaag heb ’k m’n eigen begrip over leven en dood — vandaag stoot, kwets ’k me niet meer aan dure hoeden, haastig-je-aankleeden voor concert of schouwburg, diamanten knoppen... Tóén was ’k misschien te zwaar op de hand. Als Lies me om m’n hals viel, om voor éindelijk gekochte steenen te danken, trok ’r iets wrangs om m’n mond, dacht ’k dat twee maanden arbèid aan ’r mooie oortje hingen, twéé maanden van mijn bijzonderen arbeid, zag ’k in ’t blauw van de diamanten — ’t lijk-blauw van ’t een of ander kadaver, dat ’k onder handen had. Ik had de fout te ernstig, te aangehouden in m’n studie op te gaan — zij de vergissing te veel van ’t leven op z’n smalst te willen „genieten”. Kwam ’k van ingespannen onderzoek thuis, dan moest ’k me vóór ’t eten verkleeden — ze werd ziék bij de gedachte aan de lucht — van m’n werk. Ik van haar avondvermaak. Op m’n kamer, bezig met psychiatrische studie, kwam ze me bijv. storen, om ’n keus uit hors-d’oeuvre-schotels te doen. Pas getrouwd vond je dat kinderlijk, naïef, bekoorlijk — later verzette