Maandag.
Eergister heb ’k ’m naar ’t station gebracht — den trein nagewuifd, ’r Waren kennissen op ’t perron.
Den heelen dag in aangename luiheid verdroomd.
’r Scheen geen eind aan de stille uren te komen. Geen zorg of opmerkingen voor ontbijt en middageten — welk ’n dolce far niente!
Na de thee heb ’k in ’t tuintje de bloemen water gegeven, de lamp opgestoken, ben aan ’t bijschrijven van ’t huishoudboekje en van de — aanteekeningen gegaan.
Langzaam pennend, niet te best op dreef, werd ’k van ’n vreemdsoortige ongerustheid, onzeker van m’n houding.
Opstaand, om de hanggordijnen, die me hinderden te laten vallen, zag ’k waarlijk iets buiten.
De tulle terzijschuivend, herkende ’k Joosten, die me bespiedde.
„Heb jij gebiologeerd?”, vroeg ’k de serredeuren openend.
„Ja," zei-ie gemoedelijk: ,,’k heb me de vrijheid genomen met m’n oogen aan te schellen. Zachter kan ’t niet.”
„Ook niet onhebbelijker!”, antwoordde’k: „hoelang heb je daar gestaan!”