82
’k Moet overspannen zijn geweest, ’k Heb den aanleg.
’k Lag allerwreedst te tobben. Tobeornottobe.
Wat moet je ’n enorme levenswijsheid in je hebben — wat moet je ziek zijn om dat te doen.
'n Gezond, wel-uitgerust mensch kan over den dood dénken.
’n Zieke, vermoeide niet.
Tenzij je gelooft. Ik, gelooven!
Als je, om ’t zacht te zeggen, niet bijzonder-gelukkig ben en je wel zéker weet, dan geen machten in staat zijn, ’t wel-geordende, onvermijdelijke van je leven te kenteren, ongedaan te maken, lust het je niet jezelf met boerenbedrog, Doofpot-zwering te foppen...
’r Is waars in de opmerkingen van Luuk Joosten over ’n cynisch mensch.
Strindberg, ’n cynicus, ’n hater? Welk ’n hart moet de man hebben — welk ’n wond-geloopen leven!
Vanmorgen, in de serre, terwijl de regen tegen de ruiten sloeg, heb ’k den Mathilde-cyclus van Perk herlezen...
„En peinzend zie ’k uw zee-blauwe oogen pralen,
„Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt,
„En weet niet wat mij door mijn adren stroomt:
„Ik zie naar u en kan niet ademhalen...”
’k Ben in ’n bui om te droogstoppelen. En ’k hóti van Perk.
Dichters, na liefde-sonnetten, moesten altijd sterven.
’n Tot tranen bewegende zangvogel, dien je — bij ’t wijfje in de broedkooi zet, verliest z’n geluid.