2 I 6
die ik heb aan te bieden, zijn mijn ziekte en mijn lusteloosheid.
Telkens zei Luuk, dat het mijn plicht was, je een woordje te schrijven — je weet hoe hij zelf tegen brieven waarin zooals hij zegt „niks staat”, opziet.
Twee, driemaal ben ik een episteltje begonnen — op mijn woord van eer — ik jok er niet om. Maar dan kwam dan dit, dan dat tusschenbeiden. Je weet hoe het gaat. En eerlijk gebiecht (ik heb lang zitten aarzelen voor het te zeggen) hdd ik iets tegen jou, iets belachelijks, ik weet ’t zelf, maar we zijn eenmaal zoo, nietwaar? In de dagen dat ik ziek was, verbeeldde ik me — ik hoor je in de verte smakelijk lachen! — dat Luuk jou ’t hof maakte — en dat jij coquetteerde... Je hebt nooit geweten hoe verbazend jaloersch ik ben, wel? Vergeef je het nou ik eerlijk uitpraat? Misschien heb jij zelf wel eens zooiets met Eduard gehad. Ik zeg misschien. Jouw heerlijk koele natuur kennend — was ik maar zoo! — lijkt de suppositie absurd. Vergeven ? En lach je niet te hard ? Heusch, Gre, ik heb met mijn inbeelding geen prettige dagen beleefd. Laat je dezen brief vooral niet aan Eduard lezen? Ik zou me voor hem doodgeneeren. Vandaag in het portretalbum blarend, kreeg ik jullie portretten ineens voor me. En toen — berouw komt na maanden misschien niet te laat — heb ik me dadelijk aan het schrijven gezet. Ik heb twéé nieuwtjes om bij te zingen, Gre. Mooglijk, als je in ons nog ’n beetje belangstelt, zing je a distance mee.
Ik ben hier in de dennenlucht zoo vooruitgegaan, zoo verrassend vooruit (maar ook letterlijk ’t geval van m’n zuster Trees!) —, dat Luuk en de Bussumsche