217
dokter — ’n charmant mensch! — me voor genezen hebben verklaard, ’k Ben sinds December koortsvrij, voel me na de langste wandelingen niet meer vermoeid, ’k Heb dagen van geweldigen eetlust, ben zoo toegenomen dat ik al mijn tailles, voor zoover dat ging, heb laten uitleggen. Mijn zwart zijden japon met de gitten, die je gekend heb, en die je zoo beeldig vond dat je me het adres van de naaister vroeg, is heelemaal naar de maan — ik ben door het voortdurend melk drinken wel tweemaal zoo dik. Grappig, hè? Je zou me niet herkennen.
En dan, Gre, dat is het grootste geluk, iets waarvoor Luuk en ik geen woorden kunnen vinden, en waarvan jullie gebluft zullen opkijken — we wachten eind Mei, begin Juni een dochter of een zoon. Ik hoop een zoon, Luuk natuurlijk het tegenovergestelde — de ouwe goddelijke dispuutjes als het zoover is! Wat zeg je daarvan, Gre-lief? Je ziet, jullie kans is ook niet verkeken, als je maar veel fietst/ O Gre, wat ’n geluk! ’k Heb Luuk in geen tijd zoo opgeruimd gezien. En ik zelf? ’k Zou alle menschen kunnen zoenen — par manière de dire — ik heb nog nooit zóóveel van de menschen gehouen. De wieg is er, een snoep van een wieg, heelemaal opgemaakt met gele zij en gegarneerd met kant. De hoofdkussentjes liggen er zoo doddig in, dat je er niet zonder lach naar kunt kijken, en Trees heeft een sprei gezonden, zoo keurig, met échte Brusselsche kant, dat je ’r je oogen niet van af kan houen. Met de luiermand zijn we al een eind op streek, ’k Merk alles zelf, want die gewoonte om ’t in een magazijn te laten doen, vind ik afschuwelijk. Je moest hier de uitstalling kunnen zien, de uitstalling van het verrukkelijkst poppegoed, de nacht-