Maandag.
Van de week, zoodra Corrie kan — nog 'n paar dagen en ze mag — ga ’k naar ’n advocaat.
We zijn ’t eens geworden, wonderlijk zonder scènes. Ik moet aanvallen, hèm van overspel beschuldigen, zegt-ie, dan zal hij zich bij verstek laten veroordeelen, me ’n weekgeld uitkeeren tot ’k hertrouwd ben — met Joosten.
’t Bloed stijgt me naar ’t hoofd als-ie zulke laffe toespelingen maakt.
,,’k Wil jóu niet aanvallen,” zei ’k.
„Dat moet toch,” redeneerde hij gemoedelijk: „als ’k jou van overspel beschuldig — lieg ’k. Au contraire — jij ben zèldzaam kuisch.”
„Laten we in den goeden toon blijven,” verzocht ’k. ,,’n Gentleman,” lei hij uit: „zal altijd de schuld op zich nemen, om z’n vrouw voor ’t oog van de wereld te sparen — in mijn geval, zullen al de vrienden, die me de laatste maanden aan den boemel hebben gezien, je volkomen gelijk geven. Krijg ’k je eerewoord dat je nooit m’n privé aangelegenheden aan anderen zal overbabbelen? In mijn positie... — dat weet je!”
„Daar hoef je niet bang voor te zijn — maar ’n weekgeld weiger ’k pertinent — ik kom ’r.”
„Ook met spekuleeren?”, lachte-ie: „dan kan ’k je af en toe ’n raad geven.”
Biecht eener Schuldige. 14