208
wat vreugdigt ze, als je ademt, heel-zachtjes denkt, heel rustig beweegt...
Wat is ’t goed, groot, over dood-en-leven-heen-dier-baar, ’n genegenheid als eene altijd staag-vonkende, niet wilde branding in je te voelen.
Gaat ’t over de ontroering van ’n kind heen?
Ik kan ’t niet benaderen.
Droom, glimlach ’k bij Luuk’s portret, dan zou ’k de tiendubbele smarten van Corrie willen doorstaan...