210
„Naar welken advocaat moet ’k?”
„Naar den mijne — dan betaal ik de laatste nota voor je, in plaats van ’n nieuwen winterhoed.” „Uitstekend. ”
„En mag ik bij jullie ’ns komen oploopen?”, bleef-ie plagen: ,,’n kopje thee of zoo — nou we mekaar zoo hoogst modern adieu zeggen?”
,,’k Ken je gewoonte — enkel suiker, geen melk,” lachte ik mee.
Toen zei ie iets dat me vluchtig ontstelde.
,,’k Heb gister Joosten ontmoet — op ’t ministerie. Hij vroeg hoe ’t ging” ...
„Joosten — op ’t ministerie — is dat ’n nieuwe geestigheid ?”
„Nee, wetenschappelijke ernst — hij solliciteert naar ’n rijksbetrekking — 'k heb ’m aan den referendaris voorgesteld — Je zou ’m op ’t eerste gezicht niet herkennen. Z’n baard is ’r af, staat fameus mal. Lies zou je van de week uitvoerig schrijden. Dat’s alles. Wat ga je nou anvragen, zeg, scheiding tusschen tafel en lit-jumeau — of heele scheiding?”...
’k Liet ’m blageeren, tobde ’r over wat zij me te zeggen had — zij — de contractueele.