20 6
houding, ’n ónderen inboedel zou verzorgen — kon ’k me in den schijnbaar-afstootendsten arbeid verlustigen, voor niemendal terugschrikkend, me vergenoegd aan de nieuwe regelmaat wennend.
Zoo als hij gegeten, gedronken, ge-bonsoird had, geprikkeld door ’t evenwicht van m’n terughouding, deed ’k boven de gaslichten uit, hield Cor die schrik-kelijk-langzaam aansterkte, ’n uurtje gezelschap. Veel met ’r praten kon ’k niet. Zij, door de bloed-armoede, na de miskraam, angstig, bevreesd voor ’t minste gerucht, met de obsessie van de straf die 'r wachtte — na ’r zónde — begon soms snikkend ’n rozenkrans
onder ’t dek te betasten, luisterde half, zóo als ze 'r
klein, verward geweten onderging.
De eerste dagen trachtte ’k ’r op te beuren, ’r te overtuigen dat ’n zwanger-geworden vrouw buiten alle zonde staat, dat zij niet de gróótste schuld had — ’t was ’r naast. Ze antwoordde telkens dat ze pas ’r rüst zou terug krijgen — nè. de biecht bij den pastoor, ’k Liet ’r dan ’s avonds troost bij den rozenkrans zoeken — sloot me op in de keuken. De ellebogen op de withouten tafel gesteund, zat ’k uren èn
uren in aanbiddelijke ongestoordheid.
Soms zette ’k Luuk’s portret voor me neer — ’t hoorde bij mij, niet in ’t album — en met zoet*dronken extase keek ’k ’m in de oogen.
Soms de handen in den schoot, bleef ’k in één doorpein-zing van onze vroegere gesprekken, onze stug-gegroeide intimiteit, onze aarzelingen ons heerlijk self-respect.
Dat was zoo alles — ’t respect — ’t zonder verleden tot elkander komen.