204
vasthouen, kweeken, aanbidden kon, door ’n offer van gemakszucht, vrótiwelijke gemakszucht!
Had iémand ’t recht zich rampzalig te voelen, verloren, wanhopig, als-ie z’n twee handen, z’n wil, z’n kern gebruikte ?...
Je zou ’r om lachen, als ’t niet zulk ’n ondergrond had, praatte ’k de eerste dagen —: nou speelt Cor, die je voor ’n maand met al de zekerheid-van-mevrouw voor elk bagatel schelde, opmerkingen maakte, naar boven, naar beneden stuurde, nou speelt je „meid” door ’r miskraam de „mevrouw” — jij loopt je in ’t zweet om ’r zoo goed mogelijk te bedienen en te zorgen dat als meneer op dat en dat uur thuis komt, z’n tafel klaar staat, z’n eten niet aangebrand raakt, z’n kachel onderhouen blijft, z’n schoenen gepoetst zijn.
Den begin-dag heb je neiging je martelares te voelen.
In ’t donker opstaan, ’t fornuis leeghalen, vuur aan-leggen, water opzetten — in de bij-keuken natte bottines borstelen — dan in den tragen vroeg-morgen-der-kamers leven brengen — weer op je knieën achter ’n schuier aankruipen — ruimen, stoffen — in de kouwe, snijdend-tochtende vestibule brood aannemen, melk aannemen, de post aannemen — wat valt ’t tegen — wat is ’t makkelijk als je ’r je menschen voor heb! Den heelen dag ben je bezig, dan met dit, dan met dat — ’t ontbijt afruimen — de borden wasschen — de deur narijden — den slager, den kruidenier, den groenteboer, iedereen helpen — dekken voor ’t twééde ontbijt — weer afruimen — wasschen — zorgen voor ’t diner — aardappelen schillen — groente schoonmaken — de kachels na-loopen — de badkamer — de slaapkamer...