203
zingend. Ook de schoonmaakster is ziek — ’n uitkomst — ’k zou in m’n prachtige stemming niémand om me heen kunnen hebben. Wat had ’k vroeger ’n minachting voor ’t inférieur gedoe van ’n huishouden — wat liet je ’t met dédain aan andere vrouwen, die je ’r voor betaalde, over. Deze week heb ’k zonder ’n aarzeling, zonder schijn van tegenzin, de privaten gereinigd, de portalen gedweild, na schemer de stoepen onderhouden. Alles met ’n moeilijk-bedwongen juiching. Alles met de onstuimig-stralende gedachte, dat ’k bezig ben ’n nieuwen weg — met ’n horizon, te bewandelen, te doorvechten.
Had hij — Luuk — o, stijging, de eerste keer dat ’k z’n naam, z’n zoetsten klank-naam schrijf! — had-ie aan dit gedacht, de vrijwording door arbeid, ’t naar ’m toekomen van ’n onafhankelijke, die ’m niet zou vragen de contractueele in den steek te laten, niet losrukken van ’n verplichting — die van ’m hóüen zou, in, door ’r eigen kracht?
Voor de keien, de straat, de bestaanszorgen hoefde je niet angstig te zijn — als je den moed had aan te pakken, onverschillig wat.
Wat was ’k m’n heele huwelijk-zonder-liefde, zonder kind, anders dan ’n gemakzuchtige maintenée, bediend door ’r dienstboden, gekleed door ’n man, geweest?
Had Luuk, dien avond in ’t rijtuig, m’n weer en duur gemainteneerd moeten-worden, niet als ’n onveranderbaar ding beschouwd?
Was hij niet zelf in die begrippen — dat je ’n vrouw waarvan je hield in ’r stand moest laten — vastgeroest?
Zou ’t geen schreeuwend-iets-van-genot zijn, als je ’m overtuigde, dat je ’t „beetje geluk”, ’t tot nu toe verborgene, wat ons beiden ontslipt was — hergrijpen,