201
„Daar hoef je niet om te vragen, ’k Ben je dankbaar dat je me wakker heb gepord — we waren al officieus gescheiden — ’t officiëele zal ons geen pijn doen. — Jij heb recht op ’n hééle, nièt-geëxalteerde vrouw. Zoo oud ben je niet of je vindt ’r dozijnen. Bij de scheiding mag je mij de schuld geven — ik ben de overspelige geweest, jij niet.”
„En als ’k niet wil?”
„Dan loop ’k weg.”
„Nous verrons.”
„Dat zullen we — en zoo aangenaam mogelijk van de twee kanten — vind je dat niet ’t beste?”
„Ik vind,” zei-ie, dwaas-van-overgang: „dat als je één pink, één lidje van ’n pink uitsteekt, we weer man en vrouw kunnen worden. Jij ben de taaiste èn de sterkste.” „We gaan beslist van mekaar.”
„Hoe meer ’k ’r over denk — hoe kraniger je je in de omstandigheden gehouen heb,” vleide-ie.
„Merci voor je waardeering — ’k begrijp dat je vannacht van ’n andere vrouw komend, voor de ellende van ’n meid geen consideratie kon hebben — ook geen welwillendheid voor ’n parasiet. Doe geen moeite, ’n Paar formaliteiten — en je heb je vrijheid terug...”
„Als ik die wil,” bleef-ie volhouen.
Toen de deur dicht-bonsde zat ’k te overwegen, te wikken — wat z’n motieven waren. Bang voor schandaal ? Bang dat ’k z’n spekuleeren aan de groote klok zou hangen? Ongelooflijk. Wat dan? Wat dan? Was-ie bevreesd dat z’n gewoonte-leven van-jaren zou worden verstoord ? Dat ’k met Joosten... ?