199
In de keuken, voelde ’k me tien jaar jonger.
Z’n bruutheid van den laten nacht, z’n toespeling op m’n parasiteeren — hoe kón ’n man zulke lage dingen, tipsy of in drift, bedenken! — had den knoop doorgehakt.
We gingen scheiden.
’r Mocht wat ook gebeuren — ’t was uit.
Zóo als Cor heelemaal beter, zou ’k zonder iets mee te nemen ’t huis uitgaan. Onverschillig waarheen. Liever kiosk-juffrouw, in ’n buffet, dan ’n tweede vernedering.
Au fond — had-ie gelijk.
’n Huwelijk is geen liefdadigheids-instelling. Geen asyl.
Wanneer 'n vrouw ’r man ’t éénige dat ze te geven heeft weigert, mag-ie kost en inwoning verwijten.
Als je geen cent inbrengt, heb je alles te danken.
Dien dank dien je te toonen.
Ook met je lichaam.
Verzet zich dat — dan kun je jezelf drogredenen opdringen, praatjes-voor-de-vaak.. . over je récht, je récht op z’n inkomsten.
Ik heb de schuld, de alleenige schuld, dat ’k in de positie van geduld-zijn geraakt ben — hoeveel vrouwen, zónder schuld, kennen sterker, nijpender, vlij mender dan ik de wanhoop der afhankelijkheid?
Zalig, als ruw geweld de laatste vadzigheid uitje trapt — als je gedwongen wordt bij anderen ’n afhankelijke ónaf-hankelijkheid te zoeken...
Midden in de ouwe overdenkingen stoorde-ie me door ’t trapje naar de keuken af te komen.
Z’n gezicht had iets van berouw.
„Heb je niemand om je te helpen?”