198
,,’k Ben te moe om je op je vuilheden te antwoorden,” zei ’k den deurknop beklemmend: ,,’k kan haast niet meer op m’n beenen staan — maar ’t laatste is goed — dat hoef je geen tweede keer te zeggen — dat heb ’k begrepen”...
In bed moet ’k zoo bewusteloos hebben gelegen, als dien nacht op de sofa — ’k heb ’m zelfs niet hooren boven komen.
Vroeg bij de hand — even over zeven — bijna frisch, op m’n zenuwen drijvend, keek ’k naar Cor. Die was op ’t punt ’r bed uit te stappen — de ziel — om ’t huishouden niet in ’t honderd te laten loopen.
’k Moest ’r dwingen onder ’t dek te kruipen.
,,’k Ben zoo bang dat meneer”...
„Dat meneer wat?” ...
„Meneer was vannacht zoo uit z’n humeur,” zei ze aarzelend.
„Niet om jóu,” stelde ’k ’r gerust, aan de uitdrukking van ’r oogen ziend dat ze ’t geschreeuw had gehoord. Ze stribbelde tegen, bleef natuurlijk liggen, te zwak om zich te verroeren.
Vóór negen was de boel ’n end op streek, waren de kachels aangelegd, de voorkamer geschuierd, de stof afgenomen, ’t ontbijt gereed.
Me niet voor de achterbuurtjes geneerend, had ’k juist den vuilnisbak buiten ’t hek gedragen — na de plek bij de schutting te hebben geharkt — toen hij de trap af kwam, om te ontbijten, ’n Zot goeien-morgen norschend, ging-ie de kamer in, at de broodjes en halfzachte eitjes, die ’k klaar had gezet.