195
’n Vol uur was ’k getuige, hield ’k me kordaat, terwijl ’t angstzweet me uitbrak.
Nooit had ’k zoo iets gezien — dit kon ’t ergste niet zijn — ’n abortus, zooals Jansen ’t noemde, van ’n maand of vijf, zes. Kinderspel bij ’n kraam met complicaties, zei-ie prettig van rust.
Nog wordt ’t me wee om ’t hart, als ’k ’r aan
terugdenk, als ’k dat meisjes-lichaam — wat is ’n vrouw van negentien ? — dat uitgeput lichaam, in bloed
badend — ’n niet te stuiten bloed, voor me zie.
Waarom heb ’k ’r nooit over gelezen?
Waarom doen ze geheimzinnig?
Zou de lichtzinnige stakker — ’t „lichtzinnig” strompelt me uit de pen! — bij ’t rumoer, ’t gefeest van
’n kermis brooddronken geworden — zou ze ’t met
dien soldaat zoover hebben laten komen, als ze in plaats énkel catechismus, énkel gepraat-over-zonde — ook ’n kraam van dichtbij had gezien?
Waarom worden in ’n kraamvrouwen-inrichting wel studenten — geen meisjes, jonge vrouwen toegelaten?
Zou dié soort les — ’t niét verstoppen van gebeurtenissen in de natuur — geen weldadiger wenk dan
gefluister, dat fantastische voorstellingen wekt, zijn — weldadiger dan bedreigingen in ’n biechtstoel, bedreigingen van öngehuwde mannen aan óngehuwde vrouwen ?
Zouen ze door ’t zien van ’n smartelijk-barende vrouw niet reiner worden — de vrouwen — de mannen?
Ik bén er reiner door geworden.
Om elf uur was Jansen zoo leuk-flink, ijs, verbandmiddelen en ’n exitans aan te reiken, ’k Zat op 'n
eiland — als ’n gentleman sprong-ie in de bres.
’k Had in de keuken sterke koffie gezet, om wakker