189
’n wereld van vrouwe-ellende, waarvan ’k tien minuten geleden geen vermoeden had, dat ’n nieuwe inval, zonder rijpere overdenking, me op de lippen kwam.
„Voor je zulke dingen doet, Corrie,” overreedde ik: „zullen we nog wel ’ns praten. Dit mag niet. In geen geval. Wat voor ’n vrouw ’n verheuging moet zijn — ’n verheuging die ik nooit gekend heb — mag jij niet vernietigen. Laat mij maar voor jóu denken. Als meneer ’r niet op tegen heeft,” praatte ’k stellig voort: „zou je hier kunnen bevallen — en misschien — misschien weten we ’n middel, om je half doleerend, half katholiek kindje onder te brengen. Nou?”
Ze keek me met glimlachende verwondering aan.
„God mevrouw — wat ben u ’n goeie engel.”
... „Hou asjeblieft op!”, zei ’k, op ’t punt nijdig te worden.
’k Ken niets onaangenamers, dan voor engel te spelen
Goed!
’r Zijn lief-doende mevrouwen genoeg.
Bij ’t tweede ontbijt, toen-ie klaar was — ’r is geen schijn van rancune — begon ’k ’t onderwerp, dat me de rest van den morgen de zonderlingste gedachten bezorgd had, in te leiden.
„Eduard”...
„Ja,” zei-ie de snor, dien-ie voor anderen liet staan, met de servet drogend.
,,’k Wou ’n oogenblikje érnstig praten” ...
„Zijn ze je ’t een of ander komen vertellen?”, viel-ie me dadelijk in de rede — droog-komiek aan heel iets anders denkend.
„Nee. ’t Regardeert je niet persoonlijk.”