177
Bijna geruischloos bewoog de victoria door de stilte van ’t Bosch. De lantaarns beschenen de struiken als wapperende toortsen, fantastisch van speling, de blaren bezilverend, de zware boomstammen uit hun dommeling rukkend. Soms, de oogen schuw tegen ’t licht, wandelden paren voorbij, de vingers verstrengeld, de armen om mekaar’s middel, de gelaten inders, veranderd-van-leven door den plotsen lantaarnschijn. De reuze-schaduw van den koetsier, wijd-uitplassend, sloeg ’n dreiging tot in den wolkenschemer.
„Wil je gelooven,” zei Eduard ineens, gedempter pratend: „dat ’k door al je nonsens, je onbegrijpelijk tegenstribbelen — meer dan vroeger van je hou.” „Uitstekend,” antwoordde ’k koel: „als je de afspraak maar respecteert.”
„En als ’k ’t niét doe?”, vroeg-ie, even driftig.
„Je doet ’t,” praatte ’k mat: „we zijn in geen tijd zoo vrindschappelijk samen geweest, als de laatste week. Vin je ’t niet aangenamer dat ’t zoo blijft?”
„Dus,” zei-ie in stijging van ontstemming: „dus — de vertooning gaat in een stuk door?”
„Je heb me toch niet mee uit rijden genomen,” matigde ’k ’m: „om achter den rug van ’n luisterenden koetsier over dè.t te kibbelen?”
„Gre,” zei-ie met bedwongen hartstocht: ,,’t is m’n l&é.tste aanloop geweest. M’n laat thuiskomen, m’n uitblijven, m’n dagen op sjouw — ’t was voor de grootste helft komedie, bangmakerij, ’n probeeren je tot inkeer te brengen! — ’k Geef je m'n woord, m’n woord van eer, dat als jij je bespottelijke sentimentaliteit a tort et a travers, tegen alle gezonde redeneering in doordrijft, dat ’t bij mij dan ook ernst wordt — zonder consideratie.”
Biecht eener Schuldige. 12