175
denneboomen — aandreigende, vervloeiende stammen — sterren — sterren — sterren — sterren-oneindigheid...
Hoe verklaar je ’t, dacht ’k, terwijl hij naast me dampte, dat je nooit ’n onreine, nooit ’n leelijke overdenking kan hebben, als je bij dag of bij avond de hemel-ruimte bedroomt...
„Mag ’k je hand nemen?”, vroeg-ie.
„Waarom niet?”, zei ’k, weg in de glanzing omhoog.
Mijn glacee rustte in z’n twee handen, ’k Protesteerde zelfs niet toen-ie deed of-ie ’r streelde.
„Zit je niet op de tocht?”
„Heelemaal niet.”
„Knapt ’t je op?”
,,’t Is heerlijk,” fluisterde ’k. ’n Traag-aandauwende weemoed, zacht-smartlijk, toch als ’n foltering zoo drukkend, woog uit de blaren, den nacht, de vluchtende sterren.
’t Oogenblik van je dood te kunnen kièzen...
Z’n stem hield me in de werkelijkheid.
„Ben ’k óóit wat je slécht kan noemen voor je geweest, Gre? Ooit? Heb je me iets te verwijten?”
„Nee.”
„Wor dan weer ’n beetje jezelf. Je ben ziek van overspanning, ’k Had meelij met je vanmiddag. Ik heb nou al ’n paar maal gekke dingen gedaan — met ’n dronken kop — om de beroerdheid met jóu. Nuchter heb ’k ’r spijt van — want in den grond ben je ’n best wijf met malle invallen. Wil je me — vergiffenis schenken ?”
„Voor wat?”
„Voor — voor m’n geboemel — je begrijpt me