Zondag.
In geen weken ’n woord geschreven.
Drie dagen is-ie de stad uit geweest.
Gisteravond thuisgekomen, kort voor ’t middageten.
Alsof ’r niets tusschen ons was voorgevallen, zei-ie langs z’n neus weg, dat-ie bij de Joostens ’n bezoek had gebracht, dat ze ’t best maakten — dat-ie, de eerste aangename!! tijding sinds lang, ’t geleende geld van de eerste èn tweede keer, terug had gegeven.
„Dat doet me genoegen,” zei ’k dankbaar.
„Je moet wèl de complimenten hebben — van allebei,” praatte-ie droog: ,,’k moest ’t vóóral niet vergeten.”
Z’n quasi-grappigheid, zoo onkiesch na de scènes, deed me niets.
’t Leven is geen schakel van dézélfde stemmingen — ’n stemming geen roes.
We dineerden als welwillende kameraads. We zaten zonder eenige vervreemding of nuance van vervreemding tegenover mekaar. Ja, ’r ontstond eenige intimiteit, toen-ie met aanzwellende vertrouwelijkheid van z’n laatste gelukkige speculaties vertelde, hoe de markt zich niet alleen had geredresseerd, maar hoe-ie door ’n nek-brekenden toer, in tabak en nog eens tabak, over de vijftien mille — met gokken — had binnen gesleept.
„Dat’s buitengewoon,” knikte ’k tevreden — zijn