IÓ7
getrouwden, ongetrouwden, die met ’n levend lichaam — ’n lichaam — tevreden zijn, geen diepere genegenheid verlangen, bedroomen.
’k Wóti dat ’k bidden kon — heerlijk-overgegeven...
Ik, de eerlijk-beleden schuld-van-m’n-gedachten, van m’n innigst bestaan.
Hij, de schuld-van-z’n-lichaam.
Wat is overspel?
’t Ernstigste, bezwarendste —’t gedwongen bed-spel van twee getrouwden.
Wat afstoot op de volledige, blijde overgave.
Gehuwd, niet gehuwd, om ’t even, is’r uitsluitend overspel bij moreelen dwang — érger: als man óf vrouw in mekaar’s armen liggen — met ’t beeld van ’n ander achter de gesloten oogleden.
Dat is het tragisch Overspel der doode, kunstmatig-aangehouden huwelijken.
„Gij zult niet echtbreken.”
WaAr begint de breuk?
„Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw... noch iets anders dat uwen naasten toebehoort.”
Wièn behoort m’n innerlijk leven? Toch alleen denk ’k, den man, die van dat innerlijk mét mijn wil bezit heeft genomen?
Kan ’t ’m anders toe-behooren ?
Of maakt de wormstekige, bedriegelijke eerwaardigheid van ’n gebod, van ons vrouwen 'n Bezit-zonder-lévende-ziel ?