i66
Zè over één kam scheren, mag niet, kan niet.
’r Móéten mannen, echte mannen zijn, die mee begrijpen, mee aanvaarden, mee doorzien, dat ’n huwelijk uit is, onherroepelijk opgelost, wanneer je mekaar als vreemden zoo onverschillig ben geworden.
Je blijft verbonden, omdat ’t niet anders kan — de man voor z’n naam — de vrouw voor ’r bestaan.
Innerlijk ben je vrij, onaantastbaar vrij, herwin je de achting voor jezelf.
In ’n ziels-situatie als de mijne, tóch ’n stuitende plicht te vervullen, ’n huwelijks-plicht — gedrochtelijke rhetorica ! — is ’n schennis, ’n hoon — ’n dierlijkheid.
’s Nachts ontucht — ’s morgens ’n liefdeloos, wrokkig samenzitten aan ’n ontbijt, met nauwlijks de poging over ’n onbehagelijke nuchterheid heen te raken. Nee. Nooit meer.
Na ’t laatst tafelgesprek, is-ie over zessen thuisgekomen.
De ochtend-schemer was ’r.
Op z’n kousen, bang voor de meid, heeft-ie de trap beslopen. En op de slaapkamer had-ie moeitenietteneuriën.
Troost is te koop.
Ik zal ’m verraden noch verwijten.
Als de toestanden zoo zijn, dat menschen gekoppeld móéten blijven, dat ’n vrouw ’r „decadente” ideeën op na houdt, ’r beloften van ’t stadhuis breekt — mâg de man ’n remplaçante zoeken.
Ze zijn ’r bij duizenden — we weten ’t.
Duizenden — met minder scrupules.
Duizenden, die niet te eten hebben.
Duizenden, murw-geknauwd.
Duizenden, koopbaar materiaal, roerend goed, voor