162
geëxalteerd — laat ’t me dan met mezelf uitvechten. Je weet wel dat de meeste getrouwde paren nóóit praten, nooit héélemaal praten, dat ze telkens weer in ’n afschuwelijke gewoonte bij mekaar kruipen, dat ze de vreugde — die jij daarnet wou — dat ze die vreugde, als alles dood is, met d’r verstand levend houen. ’r Is toch iets anders dan ’n lichamelijke behoefte, — jij zélf heb ’r méér dan eens dien naam aan gegeven — iets dat wij allebei missen. Ik voel voor ’n ander — onverschillig voor wien — ’t doet ’r niet toe — ’k dénk aan dien ander. Dat kun je niet uit me trappen. En voor dien ander hoef je niet bang te zijn. Je wordt niet gecompromitteerd. Niet bedrogen. Niet belogen. Als je me zegt: ’t is goed — laten we van mekaar gaan — laten we scheiden, dan heb je gelijk, zal ’k pro-beeren m’n eigen kost te verdienen — al weet ’k niet hoe — da’s bijzaak! En als je ’t niét wil, wat ’t verstandigste is, omdat je tóch ’n huishoudster noodig heb — voor mij ’n ander — ben ’k den laatsten tijd iets anders voor je geweest? — verg dan geen vertoon van genegenheid, dat ’r op ’t oogenblik niet is. Denk daar over — Eduard. Is ’t zóó mal, dat ’n vrouw ophoudt ’r man te beliegen?”
’k Dacht dat hij op zijn beurt zou los komen, dat-ie ruw of verstandig iets zou antwoorden. Geen woord. Geen geadem.
’n Sarrend zwijgen in ’t niets verradend donker. Verfijnder kon-ie niet vernederen. Geen antwoord waard...
De vingers koortsig wringend wachtte *k.
Benee in de gang sloeg de klok twaalf roodspettende slagen.