ióo
zich achter ’t kamerduister verschuilend — gezien had ’k natuurlijk niets — „maar als ’k 't dee, zou niemand aan wien je de finesses zou durven vertellen — doe dat ’ns! me ongelijk geven! Eerst ’n man weigeren waarop elk getrouwd, fatsoenlijk man recht heeft — ’m midden in z’n opwinding op de geraffineerdste manier afstooten — als-ie maanden voor leugens gevast heeft — en ’m dan de onzinnigste enormiteiten voor leggen bazelen — jij had ’n ander moeten treffen — geëxalteerd schepsel! Voor mijn part loop je ’t huis uit — hoe eer hoe liever. Je hangt me al lang de keel uit...”
Bot stompte-ie in ’t kussen terug. Ik bewoog niet. Emotie is ’n zonderling ding. Nog geen vijf minuten geleden had-ie excessief gedaan — nou lag-ie te ver-wenschen. ’k Ging ’r niet op in. Wat had je ’r an, ’m op z’n inconsequentie van-man-in-drift te wijzen? Wie van ons twee werd met ’n twistgesprek op dat plan van scherpe verwijting gebaat ? ’n Oogenblik dacht ’k ’r aan, ’t dek over me heen te trekken, in ouwe moedeloosheid ’t donker van den nacht te hervinden. Maar ’n hardnekkige beslotenheid, ’n zenuw-wakkere zekerheid hitsten me op. ’t Moest. Als ’k ’t nü niet deed, zou ’k nooit meer den durf hebben.
„Scheld, schimp zooveel je wil,” sprak ’k gejaagd: „denk ’r van wat je wil, maar laat me voortaan me rust. Ik hóti niet meer van je. Ik draai ’r niet verder om. En omdat ’k niet meer van je hou, wil ’k dat niet meer” ...
„Wil ik jou wat zeggen — jij ben stapel,” zei-ie grof: „ik ga slapen.”
„Dat ’s goed,” praatte ’k voort: „als ’t maar bij