152
bijschenkend: ,,’r was eens iemand boven op ’n toren, en die wou net na beneden gaan, toen ’n krankzinnige de trap opholt. Meneer, zegt die krankzinnige: Eer ’k tot drie heb geteld, spring jij na beneden, of ik smijt je na beneden! Daar sta ’k leelijk voor, denkt de man die boven is. Ineens krijgt-ie ’n pracht van ’n inval. Amice, zegt-ie tot den krankzinnige: van ’n toren na beneden springen, is geen kunst — dat ken iedereen — ik ken iets dat niemand kent, u niet, niemand niet! Wat dan?, vraagt de krankzinnige. Ik ken, als ’k op den beganen grond sta, in één zet óp den toren wippen! Zouen we dat niet ’ns liever probeeren ? De krankzinnige vliegt ’r in, loopt met den slimmen rakker de trap af, om diè tour d’adresse te zien! Is-ie goed?”
Onwillekeurig schoot ’k in den lach — hij schaterde. We schenen in de aangenaamste stemming, toen-ie vooruit naar de slaapkamer ging. Ik, den boel naruimend — ’n prétexte — hurkte in den leunstoel, zoo ellendig, zoo afgebeuld, zoo onbeschrijfelijk armoedig van lichaams-aanvoeling, dat m’n hart als in doodsschrik bonsde, toen-ie, ’t portaal boven bestampte, om te waarschuwen dat-ie uitgekleed was, ongeduldig werd.
Nooit had ’k m’n gezicht zóo bleek in den spiegel gezien, terwijl m’n hand zich naar de kraan van ’t gaslicht bewoog. In ’t plots-tuimelend duister, had ’k moeite mezelf te dwingen de trap op te gaan.
„Wat heb jij vanavond ’n werk,” zei ie zich rekkend in ’t bed.
,,’k Laat den boel liever niet staan,” antwoordde ’k lusteloos.
„Haast je dan wat,” spoorde hij aan, en de sigaar weer van ’t nachtkastje nemend, blies-ie rustige krinkels.