150
„Dag, Gre,” zei-ie monter: „heb ’k woord gehouen ?” „Woord gehouen?”, herhaalde ’k, niet begrijpend. M’n gedachten waren in zulk ’n andere richting geweest.
,,’k Heb je toch beloofd vroeger thuis te komen,” sprak-ie met ’n tikje teleurstelling, omdat ik ’r zoo afwezig bijstond.
„O ja,” zei ’k lichtelijk-schrikkend: „da’s lief van je.” Om me ’n houding te geven — 'k had moeite in ’t licht van de lamp te kijken, vouwde ’k ’t tafelkleed, bukte naar ’t buffet, om voor ’t boterhammetje te dekken.
’k Voelde z’n ontstemming — als ’k ’r niet had gevoeld, zou-ie me op weg hebben geholpen.
„Je bent bijzonder attent,” verweet-ie ingehouden: ,,’k maak je m’n compliment.”
„Hoezoo?”, vroeg ’k, terwijl ’t bloed naar m’n hersens dreunde.
„Hoezoo!”, herhaalde hij in driftiger tempo, maar zich dadelijk bedwingend, zei-ie-kalm: „hoezoo vraag je? ’k Dacht dat alles gezellig klaar zou staan, zooals eiken avond — en vanavond in ’t bijzonder...”
,,’k Heb wat lang zitten lezen,” excuseerde ’k me. Naast ’t buffet bukkend, om de dingen die noodig waren te krijgen, onderging ’k ’tge-ren van m’n gedachten.
Daar bewoog ’k opnieuw als leugenaarster. Daar zette ’k ’t souper als toegewijde huishoudster gereed. Daar droeg ’k ontschuldigingen aan, in plaats te spreken. Daar trachtte ’k m’n gezicht uit den schijn der lamp te houden. Daar ging ’k opnieuw, altijd opnieuw, in de intimiteit van ’n kamer met ’n man aan de avondtafel zitten, om na wat happen de intimiteit van ’n slaapkamer te betreden. Daar wist ’k uit den aard van z’n woorden, door de ongemeene vrindelijkheid