147
Je ben ’n spook, ’n overspannen schepsel, ’n vrouw op leeftijd met jonge-meisjes-ziekelijkheid — dacht ’k ruw, pogend den klauw van ’t beest melankolie, de nadering der wanhoops-bui te ontvluchten.
Bedrog! Al zet je de lompste hak op je sentiment, al lukt ’t je dagen en weken voort te zeulen, zonder getob, zonder uitbarstend verdriet, zonder dadelijke gedachte aan den man, waarmee je razend, dol, tien-dubbel-gek ben — in ’n onverwacht uur brandt elk woord, elk gebaar, elke intonatie van z’n stem zoo woest, rauw, desperaat in je op, dat je ’n moord zou begaan om ’m ’n duizendste van ’n seconde te zien, te zien...
O, de stilte om je heen in zoo’n laaiend, klaterend, tand-knarsend moment — de stilte èn de duisternis van ’n avond die z’n loomen, dofifen, onverstoorbaren gang gaat...
O, ’t dreigende zwart, de stugheid der voorwerpen, de gaping der ruimte, ’t hatelijk-onverschillige van je heele omgeving voor de woeling in je hersens, de karning van je gedachten, de aanstuwing van dierbaarste herinneringen!
Van iemand zoo te houen dat-ie ’n deel, ’n onscheidbaar deel van je denken, je verlangen, je droomen, je rust en je wakker-zijn, is geworden — en ’t als ’n dievegge te verbergen.
Zóo ’n man in je waarachtigste ziel te hebben opgenomen, in-gedronken, in-geschreid, in-geleefd, in-ge-smart — en je gelaat verleugenen!
De schande, ’t misdadige, de gruwel erger dan ’t ergste, dat je ’n genegenheid, de voldragene vrucht van je innerlijk bestaan voor ’n dwctng moet offeren.
„Gij zult niet verlangen”. Tèlkens denk ’k ’r aan, telkens, telkens — „Gij zult niét ver-lan-gen”.