146
Eenmaal sterf je — terwijl je schijnbaar leeft.
De beste, bezonnenste opstanding daartegen was de leegte, ’l willoos doen, ’t machinaal den groentenboer betalen, machinaal de trap op en af gaan, machinaal de meid controleeren, machinaal met open oogen in ’t donker liggen.
Hartstocht is leugen.
Hartstocht is ’n passe-temps voor ónafhankelijken.
Gezonde, eerlijke, echt vlammende, innigst-gevoelde passie — noem ’t liefde, genegenheid, wat anders! — van stumpers die voor anker liggen, die van ’t anker los op de keien staan, ’n derde ’t eten ontfutselen — zulk ’n hartstocht is ’n kunst-voorwerp, dat deuken, krassen, noch duim-afdrukken verdragen kan — ’n grijnzende, diklippige wassepop — ’n paljas met rheu-matiek — ’n buikige pagode — nog liever de dorre vreugdelooze mysterie van alkoof en bedstee-deuren, met ’n horizon van deurwaarders-explooten en advocaterij.
Hartstocht vandaag!
Schoone, rijpe hartstocht!
Alsof die bij zóóveel verlepts te fantaseeren ware!...
Dit is verstandelijk overleg. Later, véél later tracht je aan stemmingen, die geen bedenking dulden, die ziften noch meten, ’n gedachten-vorm te geven.
Voor ’t eerst in de drukkende eenzaamheid van ’t huis, besloop me de herinnering, zag ’k zijn gezicht dat ’k niet meer herzien had, z ij n oogen, z ij n glimlach, z ij n lippen zooals ze in ’t Bosch, in de kamer, in ’t rijtuig gesproken hadden.
Hij is voor goed weg — zeur niet — wat schiet je ’r mee op?, redeneerde ’k plat.