Zondag.
Eindelijk ’n breuk — welk een!
’t Heeft zoo gespannen, dat ’t me moeite kost, ’t voor mezelf klaar te maken.
De helft van de dingen, die je mekaar in drift, overspanning zegt, reconstrueer je met moeite, als je ze uit de herinnering opdiepen wil.
’s Middags aan tafel, ’k praat van gister, was-ie van ’n ongewone opgewektheid. De koersen moesten buitengewoon zijn afgekomen. Na de soep, leunde-ie ineens achterover, begon — zooals hij zei — ernstig met me te praten.
„Heb jij ’r plezier in?”, vroeg-ie, de servet naast z’n bord leggend; „nóg langer te boudeeren? Schieten we daarmee éen van twee op? Heb ’k je zóóveel in den weg gelegd?”
„Wie beweert dat?”, antwoordde ’k onverschillig, „’t Maakt den indruk,” glimlachte hij, me z’n hand toestekend: „zoo erg is de laatste scène niet geweest! En ongelijk kan niémand me geven, dat je je voor 'n dienstbode, die nog thuis moest komen, in acht behoorde te nemen, ’n Meid, die ’r mevrouw ’s morgens over zessen, uitgekleed op de kanapee vindt! Erken ’ns één keer je ongelijk! Krijg ’k ’n hand, ja of neen?” Besluiteloos — ’k was net zoo lief kwaad gebleven — stak ’k ’n hand over tafel toe. Maar nauwelijks was die