Zaterdag.
Gisteravond, haast niet wetend wat ’k schreef, kwam hij binnen.
Als op 'n misdaad betrapt, heb ’k de paperassen in de nécessaire gesmeten.
Vandaag herlees ’k de ontboezemingen met wrevel.
Op den laten nacht, als ’n band van moeheid je hoofd omspant, moet je geen pen opnemen. Je flapt ’r nonsens uit.
De eenige opbeuring is, dat waar zóóveel kerken de Angstige torenspitsen in de wolken boren, ’t koel staren van twee vrouwenoogen, in niéts geloovend, allerminst in ’n macht die bij alles onmachtig is, ’r wel bij kan...
Un peu de rêve... et puis bonjour!...
Geen macht, geen onzienlijke, kan ’t veranderen.
En het „un peu d’amour” — je kunt ’r buiten, behalve in de romans.
Ja, dien Vrijdagmiddag, toen de deur van ’t „Heilige Hart” aanstond, ben ’k ridikuul geweest. Als Joosten gezién had! Van de vischmarkt met schol terugkeerend, voelde ’k me ineens zoo gejaagd, zoo op-snikken-af, dat ’k moeite had voort te loopen. Als ’k thuis kom, dacht ’k, laat ’k in de slaapkamer de gordijnen neer, ga ’k onder de dekens liggen huilen. Waarom ? ’k Had