136
ding, dacht ’k ’r over, hoe erbarmelijk ’t is, wanneer twee menschen, man en vrouw — getrouwd — getrouwd — beiden ’t nachtdonker liggen te bestaren — beiden met zacht-knipperende oogleden — onverschillig voor wat er in mekaar omgaat.
Ziel. Heeft ’t niet van een grap, dat theosofen zich door ’t geloof aan ’t voortbestaan eener ziel, de ziel van ’n gestorvene op aarde, gelukkig voelen, en dat je in ’t leven zelf de ziel van ’n levende — in één kamer — in ’t onrustigst donker — door geenerlei aandoening speurt?