132
Nog bleef ’k inert.
„Hoe heb ’k ’t met je?”, zei-ie ongeduldig: „ben je van plan hier te blijven ? ’t Is welletjes! ”
Loopend als iemand die te veel gedronken heeft — misschien heelemaal dronken — ging ’k naar boven, ontkleedde me — kamde m’n haar — keek in den toiletspiegel naar ’n oud gelaat dat ’k niet kende. Lè.ng voor ’k klaar was, lei hij onder dek.
En toen ’k eindelijk, eindelijk — bang voor ’t monsterachtige van den nacht — waarom zijn ’r verfoeilijke, desperaat-donkere nachten ? — éindelijk ’t gas afdraaide — nog even besluiteloos op ’n stoel sufte — klonk z’n gesnurk, z’n gezond gesnurk, als ’n zoo wrokkend, bruut ding van werkelijkheid, dat ’k ’t niet uithouden kon, in de voorkamer op de sofa ging liggen, om d&t te ontvluchten — stilte te hooren.
Daar ben ’k ingeslapen. Zonder aarzeling, zonder droom, ’k Moet 'r bewusteloos hebben gelegen — ik — ik, die worstel om ’n ütirtje te rusten.
Om half zeven werd ’k door Eduard’s woedende stem gewekt.
„Gre! Greta!”
„Ja?”
Wezenloos, bekleumd door de kilheid der kamer — ’t raam had den heelen nacht opengestaan — zat ’k op.
„Ben jij dol?”, barstte-ie bleek van woede los: „de meid, die daar net als ’n slappe vadoek thuis is gekomen, waarschuwt dat je hiér ligt! Wat zijn dat voor kuren? Wat mot de meid ’r van denken?”
Zonder bezinning keek ’k voor me.
„Waarom ben je hiér gaan liggen? Nou? Nou!”