I3i
,,’k Heb behoefte ’n luchtje te happen.”
„Jij smakker!”, lachte Eduard grof, ’m op den schouder kloppend en ’m met pratende oogjes toeknippend: „jij smakker — jij heer! Profiteer je nou Lies ’r niet is?”
„Misschien,” glimlachte Joosten.
O, die glimlach!
Hij hielp ons instijgen, sloot ’t portier.
Even krankzinnigde ’t denkbeeld in me, ’t deurtje open te smijten, iets te doen — iets bezetens — iets over ’t redelooze heen.
Maar ’t rijtuigje schommelde in beweging, langs razend-hossende menschen, langs razend-verlichte kramen, langs razend-tollende, razend-draaiende, razend-rond-zwiepende gekken, ontredderden. De rood-bevlamde koppen, handen, lichamen, de dansende lantaarns, de jouwende, bulkende orgels, de grauw-ophuilende stofwolken, kolkten in zulk ’n drift om ons heen, dat ’k duizelig, doodelijk-uitgeput achterover leunde, enkel met de visie van een glimlach.
Thuis, in de ouwe huiskamer — bij de nuchterheid van ’t avondboterhammetje, dat opgeborgen kon worden — was Eduard uit z’n humeur omdat ’t zoo laat was geworden.
„Doe je je hoed en mantel niet uit?”, vroeg-ie omdat ’k suffig in ’n stoel bleef zitten.
„Zeker,” zei ’k te op, om me te bewegen.
,,’k Zou maar gauw naar bed gaan”, hartelijkte-ie zelf zwaar geeuwend: „je ziet zoo wit als ’t tafelkleed. Dat komt ’r van als je te veel lacht — als je meer Rijnwijn drinkt dan goed voor je is. ”