130
’k Lachte zoo, zoo mal en opzichtig, dat de menschen in de andere kamertjes naar ons begonnen te kijken. Hoe meer ze keken, hoe luider, onbedaarlijker ’k lachte.
Dat maakte Eduard — die kleine oogen had gekregen prikkelbaar.
Of ’k me niet zoo wou aanstellen ? Of ’k ’r aan wou denken dat ’r ook kennissen waren? Of ’r één reden was zóó dol-vroolijk te doen?
Joosten zei niets. Die rookte.
„Jij wordt oud,” zei ’k tot Eduard, „bestel nog ’n flesch — we zitten sneu.”
,,’k Denk ’r niet an — ’t rijtuig wacht.”
„Nog één,” hielp Joosten: „we vieren in geen jaren meer kermis. Aannemen ! ”
De tweede flesch werd gebracht. Joosten en ik dronken — Eduard, die de pret aan had gehaald, werd vermoeid, slurpte met geeuwrige slokjes.
Bij ’t laatste glas, met ’n intonatie die alleen voor mij duidelijk was, zei Joosten me zachtjes toeklinkend: ,,’t Is bij eenen, kinderen. Zou ’t niet tijd worden zoetjes aan ’n resoluut afscheid te nemen? Tot afscheid, mevrouw”... „Au revoir,” zei ’k aanstootend.
„Nee,” lachte hij, „laten we vanavond liever adieu zeggen, adieu — zonder één teeken en zónder protest. Adieu, mevrouw. ”
Over de gevulde glazen heen, keken we mekaar als beschaafde tafelgenooten in de smartlooze oogen.
„Rij je dan niet met ons op?”, vroeg Eduard, z’n demi toeknoopend.
„Nee.”
„We gaan toch langs je huis! Hoe kom je op den inval om te willen loopen?”