I 29
Soms lachte Joosten flauwtjes mee.
Licht-transpireerend, tegen de zijkussens aanleunend, voelde ’k niets dan de warmte der knie, der met elke rijtuig-domping meedeinende knie.
De huizen, ramen, deuren, vlogen in gelijken cadans van lampschijn en schemer.
Dan langzamer door de kermisvolte, ’t licht van tenten, spullen en kramen rijdend, kreeg Eduard ’n zotten inval.
„Wat denken jullie ’r van?” sprak-ie vroolijk „om bij de Beignetkraam van Conseil te stoppen?”
„Liever niet,” zei Joosten.
„Graag,” verzocht ik — voor ’t eerst Joosten aan-stootend.
’k Kón niet naar huis. Naar huis — de huiskamer met de lamp — ’t avondboterhammetje — de nacht — de oneindige nacht — de folterende nacht — terwijl m’n hersens gloeiden.
We stapten uit, zochten ’n plaats in een van de kamertjes, zaten in de woeling van menschen, de vreemdheid van licht. Eduard bestelde beignets en ’n flesch wijn. Aan de lange tafel met ’t witte kleed, met akelig-ongegeneerd vrijende juffrouwen en zondagsheertjes, die met mekaars poffertjes knoeiden, voor tafelgenooten, bleven we ’n tijdje wachten tot we bediend werden. Bij de dampende beignets, de glazen Rijnwijn, klaarden we — Joosten en ik — zonderling op. Vooral ik.
In dezelfde niet-te-verklaren stemming van den Dinsdagavond na ’t concert in ’t Bosch, de nerveus-opgewonden stemming die in waterlanders eindigde, schaterlachte ’k om ’t geringste, om ’n dikke dame-van-de-overzij, die zich aan ’n beignet brandde, om ’n struikelenden meneer — om alles, alles.
Biecht eener Schuldige. 9