127
wat-ie in één radheid sprak, slechts de echo van wat ’k zelf voelde, was:
„Dat lieg je, Gre! Neem me niet kwalijk dat ’t woord me uit m’n mond valt! Maar je liegt, je liegt! Je liegt zoo afschuwelijk als je maar liegen kan! Je liegt zooals je nog nooit heb gelogen...”
„Joosten,” zei ’k angstig.
Zóo gebogen dat ’k z’n gelaat niet zien kon, bewreef-ie driftig de handen.
Dan opkijkend, bleek maar glimlachend — de óüwe cynische lach — z’n troost! praatte-ie snel:
,,’k Moet om excuus vragen, dat ’k zoo extragrof ben geweest, zoo weinig héér. Jij mag mij. Dat weet je. Ik mag jou. Dat weet je ook. En we krijgen mekaar niet. Dat weten we allebei. Jij wordt onderhouen. Ik onderhou. Per contract — zwart op wit. Ik kan niet scheiden — ’k heb voor één vrouw te eten, ’n kwakkelende vrouw, die als ’k ’r loslaat — verloren is! En jij? Als jij je vrijheid néémt, sta je op straat. Da’s de logica. De eenige logica. Maar ’n gemeenheid, ’n Geméénheid van mezelf tegenover Lies. ’n Geméén-heid van jou tegenover hèm — ’n geméénheid tusschen ons twee, geméénheid naar alle kanten! Behalve voor de wereld. Laat me je complimenteeren, dat we zooveel achting voor mekaar hebben, om niet te doen wat anderen in stilte doen. ’k Ga over veertien dagen. — Nou jij!” ...
In dezelfde houding, zonder op te kijken, bleef-ie zitten. Ik, aangeleund tegen de kussens van den coupé, bewoog evenmin.
’r Viel niets te antwoorden.
We hadden zonder ons te branden met vuur gespeeld.