126
te bed gelegen, zonder dat iemand naar me omkeek
— jij net zoo min. En nou — 'k hód niet van lief doen...”
Sterker vooroverbuigend, zachter pratend, antwoordde-ie iets heel gewoons, dat me koud deed worden.
„Dien avond, Gre, dat je bij Bénédictine was ingeslapen, — herinner je? — ben jij de wijste geweest, toen je tegen onzen toon van vertrouwelijkheid bezwaar maakte, ’r Over denkend, vond ’k dat je gelijk had. Dat is alles. Daarnet toen ’k badineerend — enkel badineerend je hand nam, dee ’k ’t omdat je bij ’t licht van de lantaarn zoo bleek was. Dat is Alweer alles. En als je ’r me niet ad rem op attent had gemaakt, dat ’k iets onwelvoegelijks dee — iets tegen de goede vormen! — zou ’k van ’t enfin, seul gelijkertijd geprofiteerd hebben, om je te zeggen, wat ’k vanmiddag niét gezegd heb — omdat hij ’r bij was — dat ’k ’t advies van Jansen volg”...
„ ... Welk advies?”, zei ’k snel.
,,’t Advies om”... — sprak-ie aarzelender, zachter:... „om ontslag te nemen, naar Amsterdam, waar ’n positie in ’t Gasthuis voor me open staat, over te steken. Met ’n spoor-abonnement kan ’k de avonden in Bussum doorbrengen — bij Lies. ’n Man hoort bij z’n vrouw
— ’n vrouw bij ’r man. De bekende regel — ’t zou ’n anarchie worden — niewaar?”
De laatste woorden sprak-ie zóó ironisch, toch zoo weemoedig, dat ’t mezelf ’n wreedheid toescheen, toen ’k wanhopig-ingehouden antwoordde:
„Daar doe je verstandig aan, Joosten.”
Ineens werd-ie van ’n hartstochtelijkheid, waartegen ’k me niet verweerde — niet verweerde — omdat