123
be-gelend, de boorden aanbleekend, de handen be-kleurend, alsof ze in was waren gekneed, ’k Leunde achterover. Als ’k opkeek, zag ’k de oogen van Joosten, die me ontweken, die niet van ’t venster van den coupé af waren. We behoefden mekaar niet aan te kijken. Z’n knie rustte tegen de mijne, onhinderlijk, comme-il-faut. Als ’t rijtuig schokte, stiet-ie me aan. Zonder opzet. We hadden nog nooit zoo vertrouwelijk gezeten.
De avond vloog.
’t Was ’n dolle klucht van bedrog, huwelijksbreuk, zooals door-en-door fatsoenlijken ze graag zien, graag hooren, graag savoureeren, terwijl de werkelijkheid voor ’n geval van éérlijk over-spel niets dan achterklap en rotte appelen over heeft.
We stapten weer in den wachtenden coupé — wirdrei.
En ’n klein intermezzo ...
Juist wou de koetsier oprijden, toen Eduard merkte dat-ie z’n demi in de vestiaire vergeten had — z’n demi met papieren van . .. Baalbergen & Co. in den binnenzak.
Uit ’t rijtuigje slippend, verdween-ie in de volte, liet ons alleen.
We zaten — of liever ik zat — in onaangename gêne.
M’n knie retireerend, begon ’k voor ’t eerst van den avond drük te praten.
„Heb je je geamuseerd, Joosten?”
„Zoo. Zoo."
„Vond je Laroche niet grappig?”
„Zoo. Zoo.”
„Zoo-zoo? Ik vond ’m vrééselijk aardig. Alleen ’t slot had ’k anders gewild. En jij?”
„Jawel. Jawel.”