Vrijdag.
De verloopende kermis is begonnen. Wat tenten, spullen, kramen en ’n paar draaimolens, ’k Had ’r niet op gelet, zou ’r niet van geweten hebben, als Eduard gister niet met Joosten was komen binnenvallen — vlak voor ’t eten. Of ’k lust had mee naar den schouwburg te gaan? ’r Werd ’n aardige klucht gespeeld, zei Joosten. ’n Goeie afleiding, zei Eduard, ’k Nam ’t koeltjes aan, nauwelijks met Joosten pratend. Z’n houding om in geen drie weken aan te komen, terwijl ik te bed lag, was zoo buitengewoon geweest, dat ’k ’m niet meer zetten kon. Aan tafel begon-ie ongevraagd explicaties te geven. Lies had getelegrafeerd. Ze was zoo nerveus, zoo angstig door allemaal neurasthenische verschijnselen, ze kon ’t zoo weinig bij ’r zuster Trees, met wie ze vroeger best harmonieerde, die nu om kleinigheden twist zocht, aarden, dat-ie om ’r gerust te stellen en om kwesties te mijden, kamers voor ’r in ’n familie-pension had genomen. Overigens had-ie ’r nóg eens sérieus onderzocht — en ’n verrassende vooruitgang!
Nou was-ie weer vrijgezel. In geen tijd had-ie zoo smakelijk gegeten. Zoo’n lekker toebereiden burgerpot van gesmoorde lapjes met jonge capucijners, vond-ie ’n délice vergeleken bij den hotelkost, dien-ie de laatste maand dag aan dag had geslikt. Als-ie als ’n beer toetastte, moesten we consideratie met ’m gebruiken. Etend