120
„Zenuwen,” zei ’k, me bedwingend om niet erger los te komen.
Hij begreep ’r niets van, deed lief, wou me zoenen — ik werd koel.
Toen nam-ie uit z’n humeur de krant, las, las slaperig en geeuwend, als gewoonlijk tegen bedtijd — en ik, meegeeuwend, ’t hoofd op de handen, keek suffig in ’t lamplicht, naar de lampekap, die ’n kerkhof van dooie, stuiptrekkende diertjes geleek.
’k Zou meer van de smal-bleeke vrouw, die ’k lepeltjes koffie zag tippen, willen weten.