116
Of ’k niet beter dee op te staan? Of ’k mezelf niet ziek mèakte door te blijven liggen? Of ’k, als ’k dan nergens pijn voelde, niet verstandiger handelde, beneden in de huiskamer bij ’t raam te gaan zitten, en ’n oogje op de meid te houden? De eerste dagen kwam-ie met druiven thuis — de latere met onaangename opmerkingen.
Nu ’k koortsvrij ben, schijnbaar de ouwe, verwonder ’k me over m’n downheid, m’n lusteloosheid. Heele ochtenden, heele middagen, heb ’k met gesloten oogen gelegen, zonder te slapen, de dingen, de menschen om me heen — hatend. Vooral de menschen. Zonder één uitzondering. Cor, ’t goeie, beste schepsel, bracht beschuitjes, kopjes bouillon, en als ze dan met ’r jong gezicht bij m’n bed zat, met de neiging tot vertrouwelijkheid, die bij alle vrouwen groeit, wanneer ze in ’n ziekekamer zijn — voelde ’k soms den lust ’r leelijke werkhanden beet te pakken, de handen met de dikke, eeltige vingers — den lust met ’r uit te praten, te babbelen, te vragen, te antwoorden, te snikken...
De eenzaamheid, ’t niemand-om-je-heen-hebben, geen zuster, geen broer, geen genegenheid, maken je ver-foeilijk-slap.
De domheid is, dat je niet aan jezelf genoeg heb.
Op ’n middag heb ’k Jansen gevraagd — terloops — hoe ’t met Lies Joosten ging — of ’r reden tot ongerustheid was? Hij antwoordde ontwijkend.
„Als u ’r zóo over praat,” zei ’k aanhoudend: „is ze misschien ernstiger dan we weten.”
„ Bij aanleg tot tuber, ” antwoordde hij: „ is nooit iets met