rond kammetje uit V haar verloren, *n kammetje met 'n vergulde rand, d’r overal na gezocht, in de keuken, onder de tafel, op al de trejen van de trap, bij tante Toos in de buurt van ’t bed —• en dat glee nou ook uit de zak, waar de zaddoek uit wier getrokken, en buitelde met nog meer spektakel as ’t dekseltje over 't zeil, op de geschuurde kachelplaat.
Kobus liet z'n neus neus, zwaaide links en rechts, om de verdachte dingen te grijpen en in z’n zak terug te duwen, maar zo gauw kon-ie 't niet, of ’t rappe mondje nam 'm te pakken.
„Da’s toch niet jouw kam 1 Wat mot je met 'n kam van 't spook in jouw zak? . . . En voor wie is dat? . . . Hebbie dat voor mijn gekocht?"
,,Jij krijgt 'r ook een, as je niet alles overkletst," probeerde-ie ’r om te kopen, en nou veeg-de-ie eindelijk z'n neus met de naar eau-de-cologne ruikende w^itte lap, die nog kraakte van nieuwheid en nog niet eens gezoomd was.
„Waarom geef je ’t dan niet dalijk ?. . ."
,,Omdat-ie te wijd voor jouw kleine vinger
• > f
is ... .
,,Laat dan is passen
„Morgen ■— nou niet.... Zeg nou eerst, Lena, Leentje, grote schat van oom : hoe laat is ze weggegaan ?"
„Wie... ?"
„Friedel. . . ."
„Wat ken je dat schelen .... Of had jij ook gestoofde longen van ;r willen hebben ? . . . Tante d'r hart draait ;r nog van in 'r lijf. . . . Die Duitsers eten 'n vieze dingen, die wij nog niet lusten als we laveloos van de honger bennen .... Koert het ’t
213