fn gebarsten test trachtte te roepen, de ouwe vrouw hoorde ’r niks van.
Benee was Friedel zelf op bezoek. Die had van 'r vader gehoord, dat Koert te bed lag, wipte twee seconden aan. Leentje, die al 'r poppen naast mekaar in bed had gelegd, om 'r handen vrij te hebben, lag met 'r rokjes hoogopgebonden de keukenvloer te schrobben. Ze keek 'r vijandin met valse priem-oogjes an, 'r allerminst door gesticht dat de bemoeial zonder 'r voeten te vegen, door/t sopje van schuimend zeep heen-stapte.
„Mag jij zo met water knoeien ?” vroeg Friedel, maar nou ook net met de stomste vraag in huis vallend.
„Is 't jouw water V’
„Nee, maar jij maakt die hele keuken schmie-rig . . .
„Is 't jouw keuken V’
„lek zal een boekje over jou open doen, freches Ding Y’ zei Friedel, op de tenen getrapt : „het ies zonde van al die zeep . . .
„Is ’i jouw zeep ?”
„les jouw broeder Koert krank ?”
„Krank .— krank ■— dat versta ik niet . . . „Liegt der goede Koert in zijn bed ?”
„Ja en tante ook . . . ”
„Liegen er twee zieken ien bed V'
„Mag dat enkel bij jullie thuis ? . . . Koert is nog erger as Jo, die gestorven is, enne tante nóg erger .... Blijf nou niet met je smerige schoenen op de schone stenen staan .... Wij kliederhielen niet zoas jullie, die bang bennen voor water .... „les tante heus krank . . . ]”
Toen haalde Lena 'r kittige schoudertjes op,
2 o5