beeft, om uwe kuise lippen te mogen kussen . . . Daar-achter was de eerste grote peerdrups-inktmop gevallen. Koert had door die ontdekking de genade-slag gekregen. De smerigheid van oom Kobus, om óók op Friedel verliefd te raken, was iets om je bij van kant te maken, en dat had 'm zó troosteloos over de dood met Lena, diezelfde morgen, doen spreken, dat ze gedreigd had 'm op z'n gezicht te slaan, as-ie 'r niet mee ophield. De koorts en de heesheid hadden 'm vinnig te pakken, en vóór-ie de tragische ontdekking dee, had-ie over de gestorven, beste vriend liggen tobben, maar na z'n snuffelen in Ko's kist, terwijl-ie klappertandde van kou-en-warmte, na de vondst onder 't rommelgedoe, dat de oom als 'n relikwie bewaarde, was-ie van ;t ene uiterste in 't andere gevallen — van 'n dolle verwoedheid, die 'm 'n pijp van Kobus in 'n hoek an gruzelementen had laten smijten, tot ;n levensbeuheid, die ’m onder 't dek, als ’n saterend gedrocht, naar de strot sprong. Die gluperd, die vent zonder haar, die altijd de stiekemerd uithing, de gemene verrajer, die elk uur van de dag poeslief met je omging en 'n kwartier in de wind na z'n zure pijpen stonk, die ouwe gek met z;n pommade en z/n dassen — nou begon je alles te begrijpen ■— had verdikkeme, verdorie, 'n ogie op zijn Friedel. Vannacht, had-ie *r ;n voorgevoel van gehad, toen Kobus, die nooit 'n pen in z*n eeltige vingers hield, zo onder de lamp zat te zwoegen — nou was alles uit, alles mis, alles afgelopen — de twee zijdjes, nat dichtgevouwen, met de letters in spiegelschrift op mekaar klevend, maar met ’t schandalig begin duidelijk leesbaar en as je ze voor 't spiegeltje
203