van 'r lippen, lag zo'n belangstellende gretigheid, dat-ie wel antwoorden most.
„Fijn,” zei-ie, bij de bitterheid van 't verkoolde korstje 'n gezicht trekkend, of-ie 'n kaneelstange-tje bekauwde.
,,Zel je alles opeten ? . . . Enne niks achter je bed weg moffelen ? . . .”
Hij schudde 't hoofd in belofte, riep 'r net zo as tante achterna, toen ze met de stapel vuile borden en koppen bij de*deur balanceerde.
„Leentje . . . .”
Ze hoorde 'm niet zo hees as-ie was. Toen ie met de stoel bij z'n bed heen en weer bonkte, keek ze om.
„Is 'r geen brief gekommen ?”
„Nee I” zei ze geïnteresseerd : „wat motten jullie toch allemaal met 'n brief ? Dat vraagt oom Kobus en tante en nou weer jij . . . .”
„Niks,” ontkende Koert, wachtend tot ze weg was, om 't bittere propje onder de andere pata-ten te verstoppen —■ kleur op kleur — daar kraaide geen haan naar. 't Had 'm op de lippen gebrand, om 't zusje wéér in vertrouwen te nemen, ’r iets wanhopigs — iets meer dan ergs te vertellen — dat-ie, dat-ie onder in de kist van oom Kobus, die 't verstopt had, zonder op te letten, dat hij door z'n oogspleetjes had liggen spionneren twee zijdjes van 'n brief had gevonden ■— zijdjes met hopies inktmoppen -— zijdjes, die Kobus had motten overschrijven ■— zijdjes, die begonnen met de gemeenste, vieste woorden : „Geliefde mejuffrouw Friedel Witter 1 Eindelijk ken ik u zeggen dat ik u lief heb, gelijk ik hoop dat gij mij lief heeft, en dat mijn ziel van gretig verlangen
202